Column Nilgun Yerli: Nationale Vogel

Het eerste woord dat ik leerde, toen ik op mijn 10e naar Nederland kwam, was het woord: “Anno”. Op gevels van ontelbare grachtenpanden en boerderijen prijkt namelijk in sierlijke letters het woordje ‘Anno’. Als kind van tien heb ik het me lange tijd afgevraagd en dacht oprecht: ‘wie is die Anno in vredesnaam? ‘ 

Inmiddels heb ik geleerd dat het niet een visionaire man was die onnoemelijk veel heeft betekend voor de Nederlandse architectuur, dus geen vroege collega van Pierre Cuypers. Ik weet nu dat ‘Anno’ louter een Latijnse aankondiging van het bouwjaar is. 

Maar het romantiseren van baksteen en hout heb ik nooit verleerd. De schoonheid van een oud gebouw zit hem in het karakter dat met de jaren mee groeit en de energie die erdoorheen vibreert. Ik kan intens gelukkig worden in historische panden waar de planken onder je voeten zachtjes kraken en de stenen een geschiedenis vol sappige verhalen met zich meedragen. 

Er gaat niets boven de onbetwiste schoonheid van een eeuwenoud monument. Neem nu het gemiddelde middeleeuwse grachtenpand in ons land. Het staat schever dan een dronken piraat op leeftijd, de fundering is door de eeuwen heen gezonken en de houten balken hebben meer weg van een gatenkaas dan van dragende constructies. Het is precies die melancholische sfeer die ons mateloos fascineert. 

Het doet mij dan ook altijd intens veel verdriet om te zien wanneer zo’n karakteristiek pand achteloos wordt platgegooid in plaats van gerestaureerd. Natuurlijk, de kosten van restauratie zijn vaak gigantische financiële nachtmerries. Maar met een sloopkogel gooi je niet alleen wat asbest en cement naar de eeuwige jachtvelden, maar je verpulvert in één klap de nostalgie. 

Toch kunnen we in Nederland nog spreken van een knusse monumentenzorg. Dat besef ik te meer wanneer ik in andere landen ben.  

In Istanbul is het al volledig verloren, de moderne glazen wolkenkrabbers die op een aquarium lijken hebben het overgenomen van de Byzantijnse gebouwen en de karakter van Constantinopel. 

Mijn grootste cultuur-historische teleurstelling beleefde ik toen ik voet aan de grond zette in bruisend Seoul. Daar ontdekte ik tot mijn schrik dat wolkenkrabbers de knusse rijstkokertjes en karaktervolle huizen inmiddels volledig hadden opgelokt. Alles leek er in de steigers te staan.  

De reisleider in Seoul wees tijdens de rondreis enthousiast naar de skyline en riep steeds door zijn megafoon: “our national bird!” In het begin tuurde ik me werkelijk blind op de lucht, driftig zoekend naar een adellijke roofvogel of een sierlijke reiger die de oosterse hemel sierde. Maar na een kwartier begreep ik de Pointe pas: het bleek de hijskraan te zijn!  

De gigantische gele stalen vogels waren de ware heersers van de metropolen geworden. Anno nu is het overal verbouwing wat de klok slaat, ook in Amsterdam. Monumenten zijn de trotse littekens van onze geschiedenis, en ik hoop dat we die nostalgie voor altijd zullen restaureren, behouden en koesteren.